De laatste stand is een tegenvaller. De verhouding is nu 39 procent plantaardige eiwitten tegenover 61 procent dierlijk, zo blijkt uit de nieuwe Eiwitmonitor 2025. Ten opzichte van 2024 is de verhouding nauwelijks verschoven. De doelstelling vanuit de overheid om in 2030 uit te komen op een gelijke verhouding lijkt dus voorlopig niet binnen handbereik.
Rol van de voedselomgeving
Onderzoekers van Wageningen Social & Economic Research verzamelde de data voor de monitor via een enquête onder 3950 Nederlanders. Deze legt blootlegt waarom consumenten kiezen voor dierlijk of juist voor plantaardig. Van een deel van de respondenten zijn ook hun consumptiepatronen onderzocht via een app.
Onderzoeker Marleen Onwezen verklaart het tegenvallende resultaat: “Onze voedselomgeving en eetcultuur is sterk ingericht op vlees en zuivel. Denk aan de aanbiedingen in de supermarkt, de advertenties in het bushokje en de keuzevariatie in restaurants. Daarmee krijgen consumenten het signaal: dierlijke eiwitten zijn normaal en plantaardige eiwitten een niche.”
In het online supermarktaanbod is slechts 35 procent van de eiwitrijke producten plantaardig. Binnen de geselecteerde productgroepen is de keuze in dierlijke eiwitproducten zelfs zeven keer zo groot. Bovendien zijn dierlijke producten vaker de goedkoopste optie en staan ze het vaakst in de aanbieding. In 2025 had 76 procent van alle aanbiedingen betrekking op dierlijke eiwitten, tegenover 56 procent in 2024.
Voorzichtige trend van acceptatie
Het is ook niet zo dat de eiwittransitie hopeloos is, stelt Onwezen. Er zijn namelijk kleine verschuivingen zichtbaar. Het verschil in variatie tussen dierlijke en plantaardige producten is kleiner geworden dan in eerdere jaren. Ook is de gemiddelde prijs van plantaardige eiwitproducten inmiddels lager dan die van dierlijke producten.
Uit de enquête blijkt bovendien dat de intentie om plantaardige eiwitrijke producten te eten, is toegenomen ten opzichte van 2024. Het gaat hier om peulvruchten, plantaardige zuivelvervangers, plantaardige vleesvervangers, plantaardige visvervangers en tofu, tempeh of seitan. Vlees- en zuivelvervangers en hybride vlees werden het negatiefst beoordeeld en brood als was favoriet als belangrijkste plantaardige eiwitbron. De intentie om producten zoals kaas, melk en eieren te consumeren is licht afgenomen.
De onderzoekers zien ook een lichte verschuilving in sociale normen. Meer mensen hebben het gevoel dat plantaardig eten normaler wordt in hun omgeving. Daarnaast geven consumenten vaker aan dat zij ervaren dat de plantaardige keuze makkelijker is om te maken en dat de prijs minder vaak een belemmering vormt. Het zijn voorzichtige trends, maar deze laten wel zien dat de transitie naar meer acceptatie en een plantaardige standaard doorzet, aldus Onwezen.
“Consumenten accepteren plantaardige eiwitten steeds meer als ‘gewoon’.”
Structurele verandering nodig
Volgens Onwezen laat de Eiwitmonitor zien dat consumptie, houding en aanbod zich niet in hetzelfde tempo ontwikkelen. “Terwijl het eetpatroon stabiel blijft, verandert de manier waarop Nederlanders tegen plantaardige eiwitten aankijken langzaam, en beweegt het aanbod slechts beperkt mee.”
Het zou volgens Onwezen helpen als de voedselomgeving plantaardige producten meer aandacht geeft met meer variatie, meer promotie, en lagere prijzen. Omwezen vestigt hiervoor haar hoop op het nieuwe kabinet: “De transitie schiet niet op. De eiwittransitie vraagt om structurele veranderingen in beleid, gewoonten, sociale normen, kookvaardigheden en de prijs en beschikbaarheid van producten.”
Over de Eiwitmonitor
De Eiwitmonitor volgt jaarlijks hoe Nederlanders eten en welke producten beschikbaar zijn in supermarkten. Daarbij wordt gekeken naar zowel consumptie als naar de redenen waarom mensen bepaalde keuzes maken, zoals gewoonten, prijs en wat zij normaal vinden.
De Eiwitmonitor is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). De gegevens zijn afkomstig uit meerdere bronnen, verzameld door Wageningen Social & Economic Research (WSER).
Bron: WUR